Beste vrienden,
Dit is dan mijn eerste persoonlijk briefje vanuit Delmas, één van de buitenwijken van Port-au-Prince. Eigenlijk is Delmas een afzonderlijke gemeente, maar intussen wel aaneengebouwd met de hoofdstad. Als je door de stad rijdt, zie je geen enkele overgang meer: de straten zijn overal even slecht, de bevolkingsdichtheid even groot, het verkeer even chaotisch en de mensen even vriendelijk.
Ik stuur niet graag foto’s op van de hoofdstad, want dat zou beslist een verkeerd beeld geven van Haïti: u hebt in de kranten wel genoeg beelden gezien van ingestorte huizen en een hoop miserie; mensen die nu bijna anderhalf jaar na de aardbeving en de daaropvolgende tropische wervelstormen nog steeds opeengepakt in tentenkampen wonen en straten vol vuilnis. Er zijn genoeg mooie kanten aan Haïti die ook wel eens belicht zouden mogen worden: de hardwerkende mensen, de mooie natuur, de kinderen, de tieners die netjes in uniform naar school lopen, de vindingrijkheid van de bevolking om toch maar weer een dag te overleven in moeilijke omstandigheden.
Ook hier is de centralistische staatsstructuur een hinderpaal voor de ontwikkeling van het platteland en de minder grote steden; hoe afgelegen je ook woont, je moet voor té veel zaken naar de hoofdstad reizen.
De voertaal hier is het Haitiaanse Creools, een verbastering van vooral Franse woorden. Verder wordt er voor buitenlanders Frans gebruikt. Alleen mensen met een opleiding kennen Frans. Ik begrijp er nog steeds weinig van. Een klein voorbeeld: als aanmaning om je auto niet te parkeren „pa pake machinn la“. Dat valt mee, maar wat denk je van: „dlo klè pa dlo pwop“? (schoon uitziend water is daarom nog niet drinkbaar). „thuis“ heet „lapay“, waarschijnlijk een referentie naar het stro waarop de slaven vroeger sliepen. In het ziekenhuis staan alle berichten in het Frans en in het Creools.
Ons team
Humedica is hier al sinds de aardbeving (12 januari 2010) bezig en heeft eerst op redelijk grote afstand van de hoofdstad vanuit tentenkampen gewerkt. De vrijwilligers kwamen dan meestal voor één maand. In die tijd waren het vooral Duitsers: artsen en (spoedafdeling-) en verple(e)g(st)ers. Er wordt bijzonder goed samengewerkt met andere organisaties.
Het team bestaat nu uit een Duitstalige Franse teamleidster (juriste) in vaste dienst, één Duitse verpleger - hier voor de tweede keer- , één jonge Duitse fysiotherapeut- die maandag vertrekt na zes maanden hier- , één Duitse arts. Andere teamleden zijn, een Oostenrijkse prothesenmaker - voor drie maanden. Dan zijn er nog twee vaste teamleden: Danny, een Venezolaanse prothesenmaker die hier een werkplaats aan het uitbouwen is om Haitianen op te leiden en Thomas, een Erythreër, die de administratie en boekhouding verzorgt. Voor hem heb ik een Bijbel in het Arabisch meegebracht (de zijne was gestolen, samen met al zijn bagage).
Omdat we vaak een overwicht aan Duitstaligen hebben is het soms opletten om ook de anderen bij de gesprekken te betrekken. Een ander punt is om te proberen niet altijd over het werk bezig te zijn. De omgangstalen zijn dus Engels, Duits, Frans, Spaans en Creools met de klusjesman. Vroeger zijn er ook wel Nederlandse vrijwilligers geweest.
Het teamhuis
Het is een mooi huis met verdieping, voldoende slaapkamers om de vaste teamleden een eigen kamer te gunnen, De vrijwilligers moeten eventueel kamers delen. Er zijn twee badkamers: mannen-vrouwen.
Grootste probleem: kleine venijnige muggen: we lopen 's avonds te spuiten en onszelf in te wrijven met muggenmelk.
Drie keer/week wordt de was gedaan (en summier gestreken) in het ziekenhuis waar we werken en ons kantoor hebben.
Een Haitiaanse dame kookt (héél goed) en kuist het huis. Onze eigen kamer moeten we zelf kuisen.
Er is een avondklok ingesteld van 23 u tot 5 u. Meestal wordt er echter verwacht dat we voor het donker wordt thuis zijn. We mogen niet alleen de straat op, steeds met twee of meer.
We mogen niet zelf rijden, we zijn dus steeds afhankelijk van de beschikbaarheid van chauffeurs.
In de praktijk betekent dit dat we, behalve voor ons werk, amper de deur uit kunnen. Voor langverbranders is dit wel moeilijk: veilige ontspanning is er amper. In dit opzicht ben ik wel bevoordeeld: ik rij twee, drie keer per week buiten de stad en zie nog eens wat. Dit brengt ons bij het thema:
Reizen
Dat reizen is niet gemakkelijk; mijn dichtste bouwwerf Tapio, ligt op 35km van het kantoor, we doen er anderhalfuur over. Dat doen we echt niet met de fiets maar met een degelijke 4 x 4. Het verst afgelegen project is soms vier uur rijden enkele rit. We vertrekken dan ook om 6 uur ’s morgens om 's avond voor het donker wordt weer thuis te zijn. De laatse twee weken ben ik er niet meer geraakt: we moeten immers een halfuur door de rivierbedding rijden en het is nu regentijd. De auto geraakt niet meer door het water. Ik moet er dus eerst naartoe rijden en dan oordelen of ik erdoor kan, die plaats ligt namelijk buiten het bereik van de gsm’s, ik kan niemand vragen „ga eens vanop de brug kijken hoe hoog het water staat“.
Sommige wegen buiten de stad, over de bergen, zijn erg goed: ze zouden in Frankrijk kunnen liggen. Je moet natuurlijk wel opletten voor ezels (echte), geiten, koeien, honden, kinderen, naar beneden gerolde rotsen, voorbijgangers zoals schoolkinderen en kraampjes langs de weg…Ook een aannemer laat wel eens een vracht zand op de weg liggen: zo’n effen oppervlak op een berg is toch ideaal om betonblokken op te maken.
De wegen in de stad hier zijn erbarmelijk; de meeste zijn een opeenvolging van richels en putten, nog gezwegen van het vuil, de brommers, de voetgangers en de vele andere voertuigen. Er vallen geregeld mensen „in panne“ midden op de weg. Vaak is het onmogelijk om het voertuig te verplaatsen: er wordt dus midden op straat aan gewerkt. Er worden grote nieuwe wegen aangelegd: dit vergroot tijdelijk alleen de verkeersellende.
De stad door rijden is een ramp: het duurt minsten één uur om een beetje buiten het verkeer op een min of meer fatsoenlijke weg te rijden. Ik word uren doormekaar geschud over slechte wegen.
Mijn werk
Hierboven heb ik verteld over het voordeel van werk te hebben buiten het huis/kantoor; ja, ik hoef maar zes of acht uur te rijden om één á twee uur te kunnen werken. Ik zie veel mooie landschappen maar moet dan 's avonds mijn rapporten schrijven. (ik zit hier nu om drie uur 's nachts dit voor jullie te schrijven).
Er zijn drie projecten van verschillende omvang:
• Tapio, het meest noordelijk, ligt niet zo ver buiten de stad en is goed bereikbaar het is een Katholieke missie met weeshuis. We bouwen vooral een nieuw weeshuis en een grote cafetaria die moet dienen voor de weeskinderen, de aanpalende school en de parochie. Het weeshuis bestaat uit twee grote huizen (jongens en meisjes) van 30m op 15m. De aannemer is begonnen met de funderingen. Ik heb veel moeten herplannen en hertekenen. Sommige technische zaken moeten nog opgelost worden. Tapio ligt in een dorre vallei. De paters hebben al een put laten boren van 26m diep. Dat wordt straks gebruikt voor het wezenhuis.
• Meyer ligt ten zuidwesten van Port-au-Prince. Je moet de berg over en dan een stuk naar het westen rijden over smalle bergwegen. De school wordt geleid door een Duitse evangelische zuster die er al dertig jaar werkt. Je hebt er kleuter-, lager- en middelbaar onderwijs. De twee afdelingen van de school tellen samen 600 leerlingen en een dertigtal leerkrachten. Een deel van de secondaire school was ingestort en wordt nu weer opgebouwd. Hier is men al bezig met de muren. Ook hier nog enkele technische problemen op te lossen. In de buurt is er ook een katholieke missie van vooral Luxemburgse broeders. Zij hebben een metaal- en houtwerkplaats en zullen de dakspanten lassen. Dit is een zeer groene streek maar door gebrek aan vlakke grond wordt er aan terrassenbouw gedaan: extreem gevaarlijk voor de boeren.
• Marbial, ten zuiden, is het grootste project en ligt aan de bronnen van een rivier die uitmondt in de Atlantische oceaan. Ook een zeer bergachtige streek. Een plaatselijke jongen is hier opgeklommen tot Baptistenpredikant (de man is intussen 70 geworden) en heeft een school opgericht die is uitgegroeid tot Kleuter-, lager- en middelbaar onderwijs. Er zijn 23 leerkrachten en 600 leerlingen in twee shiften. Deze school werd totaal verwoest door de aardbeving en wordt nu heropgebouwd. Er zijn zeven verschillende gebouwen op te richten. Alles gebeurt nu in tenten. Grootste problemen: weinig platte grond (we moeten de bergflanken uitgraven om iéts te hebben) en de slechte bereikbaarheid. De bevolking gebruikt vooral ezels, muilezels en kleine paardjes om iets te vervoeren. Een echte Far-West film maar alle cowboys en -girls in het zwart. Een ander vervoermiddel is de 125cc-motor. Met zijn vieren op één motor is hier heel normaal. Eén op de benzinetank, dan de chauffeur, dan de passagier en daar dan nog iemand tussenin. Ik heb dit project totaal moeten hertekenen en –berekenen. Nogal wat technische vragen wachten op een oplossing.
Zo, dit is het zo een beetje, ik probeer nog een uurtje te slapen eer de nieuwe dag begint,
André